Mythen over berengeur

Ge BackusFoto ge

De Amerikaan Slovic heeft in de jaren 80 van de vorige eeuw baanbrekend onderzoek verricht naar wat mensen gevaarlijk vinden. Zo is het opvallend dat mensen voor skaten minder angstig zijn dan voor DNA technologie. Terwijl we DNA technologie al duizenden jaren toepassen bij het domesticeren van onze landbouwhuisdieren, en de statistieken over ongevallen met skaten er niet om liegen.  Het is volgens Slovic ook nog eens heel moeilijk opvattingen van burgers over wat wel en niet risicovol is te veranderen. De mate waarin een opvatting het karakter heeft van diepgewortelde overtuiging beïnvloedt het verwerken van nieuwe informatie. Nieuwe gegevens worden betrouwbaar en informatief geacht, als deze overeenkomen met de eigen overtuiging. Tegengesteld bewijs wordt echter vaak beoordeeld als onjuist, onbetrouwbaar, of niet representatief.

Bij berengeur zien we dit ook. Betrokkenen hebben diepgewortelde overtuigingen over dit fenomeen. Een aantal daarvan is echter gaandeweg achterhaald. Resultaten van onderzoek naar berengeur ontrafelen meer en meer ‘mythen’ die het denken over mogelijke oplossingen in de weg staan. Deze mythen zijn vooroordelen die een barrière vormen voor verandering.

Nog steeds is op allerlei websites te lezen dat bij het vlees van meer dan 20% van de beren berengeur wordt waargenomen. Dit percentage is afgeleid van grenswaarden in vlees van de stoffen androstenon en skatol: stoffen die in belangrijke mate bijdragen bij aan het veroorzaken van berengeur. Voor skatol wordt vaak een grenswaarde genoemd van 0,25 mg/kg vet, voor androstenon is dat 1,0 mg/kg vet. Boven deze grenswaarden neemt het risico toe dat berengeur wordt waargenomen. In Nederland hebben we de afgelopen jaren inmiddels  al meer dan 1,5 miljoen mannelijke varkens getest op berengeur. Bij het vlees van ongeveer 4% van de dieren nemen we berengeur waar.  Een heel verschil met de eerder genoemde 20%. Dat komt omdat bij de genoemde grenswaarden voor androstenon en skatol er heel veel zogenaamde vals positieve monsters zijn. Dat is vlees waarvan de gehalten aan androstenon en skatol boven de grenswaarden komen, maar waarbij veel consumenten toch geen berengeur waarnemen. Zo kan lang niet iedereen androstenon ruiken, en niet iedereen ruikt hetzelfde. Sommigen vinden androstenon zelfs lekker ruiken. De gehalten aan androstenon en skatol zijn geen accurate voorspellers voor het waarnemen van berengeur door consumenten.

Het voorgaande heeft twee mythen in zich. De eerste is dat bij 20% van het vlees van de beren consumenten berengeur waarnemen. Dat is echter slechts 4%, welke bij de kwaliteitscontrole aan de slachtlijn met behulp van detectiemethoden kan worden opgespoord. De tweede is dat consumenten androstenon vies vinden ruiken. In werkelijkheid kan 30-35% androstenon niet ruiken, en vindt 20% het zelfs lekker ruiken.

Een andere mythe betreft het denken dat berengeur via de mannelijke varkens wordt overerfd. Er is de laatste jaren veel aandacht gericht op het uitzoeken van beren met een een lage fokwaarde voor berengeur, die daarmee hun helft van de genen naar het vleesvarken zo weinig mogelijk met berengeur belasten. Zeugen kunnen echter ook berengeur doorgeven. Dat klinkt misschien onlogisch, maar is het niet. De genen voor berengeur komen net zo goed via de moeder als via de vader. De fokwaarde voor berengeur van de moeder blijkt bijna net zo goed te werken als de fokwaarde van de vader. Dit is logischer dan het lijkt, omdat het niveau van berengeur in zeugenlijnen duidelijk hoger ligt dan in berenlijnen, ‘er is meer om door te geven’.

Gaandeweg ontrafelen we in het onderzoek al zulke ‘mythen’. Hiermee slechten we niet bestaande barrieres en komen we sneller toe aan het werken aan de juiste oplossingen. Een kritische en open houding ten opzichte van nieuwe informatie is daarbij nodig. Maar ook het openstaan voor nieuwe inzichten. Vooringenomenheid en gebrek aan zelfreflectie zijn geen wegbereiders van echte vooruitgang.